Weblog afgesloten
Dit weblog wordt niet meer aangevuld. Voor actuele nieuwsoverzichten met betrekking tot islam kunt u terecht op http://groups.yahoo.com/group/moslimnieuws/
Dit weblog wordt niet meer aangevuld. Voor actuele nieuwsoverzichten met betrekking tot islam kunt u terecht op http://groups.yahoo.com/group/moslimnieuws/
27-05-2008, Reformatorisch Dagblad BONN – Een Turkse godsdienstwetenschapper heeft gesteld dat het mogelijk moet zijn de islam te verlaten. Het veroordelen van een "afvallige" laat zich naar zijn mening niet afleiden uit de Koran. Naar het "universele en absolute oordeel" van de Koran mag er in de religie geen sprake zijn van dwang, schrijft prof. Hakki Ünal (Ankara) in het maandelijkse tijdschrift van het Turkse ministerie voor Religieuze Aangelegenheden.
Reuters, 01-05-2008 When clerics, ministers and businessmen gathered at a forum in Riyadh last month to discuss women in the workplace, there were no women in sight. Typically for Saudi Arabia, the women who took part were seated in a separate room so the men could only hear them. Such oddities are part and parcel of the complex system of social control maintained by clerics of Saudi Arabia’s austere version of Sunni Islamic law, often termed Wahhabism.
NRC, 14 januari 2008
Moslimmeisjes worden geacht tot aan hun huwelijk maagd te blijven. Gevolg: veel frustraties. Hoog tijd om een einde te maken aan deze vorm van hypocrisie, vindt Senay Özdemir.
De opdracht aan meisjes om hun maagdelijkheid te bewaren totdat zij trouwen, mag cultureel een begrijpelijk fenomeen zijn, vanuit medisch-opvoedkundig en psychologisch perspectief is er van alles mee mis. Uit een onderzoek dat in november vorig jaar in Time werd gepubliceerd bleek dat het niet meer dan natuurlijk is wanneer adolescenten zo rond hun vijftiende of zestiende hun eerste ervaringen met seksualiteit kunnen opdoen en rond hun zeventiende voor het eerst met elkaar naar bed gaan. Kinderen die opgroeien in het besef dat seksualiteit erbij hoort en die hun behoeften aan lichamelijk contact met leeftijdgenoten kunnen uiten (hand in hand zitten, een beetje zoenen, en later echt vrijen) groeien op tot gezondere, evenwichtigere mensen dan kinderen die dat niet mogen.
Wanneer anders dan in de puberteit zouden jongeren hun eigen lichaam moeten leren kennen en dat van anderen? Wanneer anders zouden zij hun erotische gevoelens en hun seksuele behoeften moeten ontdekken? Wanneer anders zouden zij moeten leren daar op een verstandige manier mee om te gaan? Kinderen die daar niet de gelegenheid voor krijgen, lopen het risico om op te groeien tot gefrustreerde, geestelijk misvormde wezens. Dat geldt voor jongens net zo goed als voor meisjes. Zie de Arabische mannen die al het vrouwelijk schoon dat voorbijkomt als lustobject zien en als een legitieme prooi om lastig te vallen. Hun gedrag is even verwerpelijk als verklaarbaar. Ze zijn jong, ze barsten van de energie, de hormonen gieren door hun lijf – maar ze kunnen er nergens mee terecht. Niet bij hun ouders, niet bij hun leraren, niet bij hun leeftijdgenoten. Want wat zouden die er aan kunnen doen? Dat is de traditie, heet het. Niet voor niets bestaan er talloze garonnires in Marokko, kamers die per uur of per dagdeel te huur zijn, waar jonge Marokkaanse mannen terechtkunnen om met vriendjes en vriendinnetjes hun seksuele behoeften te kunnen uiten.
Ouders die hun kinderen opleggen dat zij zich tot aan hun huwelijk van seks moeten onthouden, stellen hen voor een onmogelijke opgave. Wat de leden van de eerste (en vaak zelfs nog tweede) generatie allochtonen in Nederland en in andere West-Europese landen vergeten, is dat zij zelf vaak al op heel jonge leeftijd zijn getrouwd en dus legitiem seks konden hebben. Bijna al onze vaders en moeders waren voor hun twintigste getrouwd, dat was toen normaal. Deze zelfde ouders, die zelf genoeg konden beminnen en bemind worden, verlangen nu van hun kinderen dat die zich dat genoegen nog jarenlang ontzeggen.
Want zoals dat bij autochtone vrouwen al eerder gebeurde, schuift ook bij Marokkaanse en Turkse vrouwen de leeftijd waarop zij trouwen ieder jaar iets verder op. De gemiddelde leeftijd is nu 23 jaar, terwijl hoger opgeleide vrouwen vaak pas tegen hun dertigste willen trouwen. De meeste Marokkaanse en Turkse vaders en moeders hadden al een heel seksleven achter de rug toen ze de leeftijd hadden waarop hun kinderen er aan mogen beginnen. In de christelijke en joodse gemeenschappen die het ideaal van het maagdelijke huwelijk propageren, is het trouwens niet anders. Van de vier basisbehoeften van de mens (eten, drinken, slapen, en seks) mogen hun opgroeiende tieners alleen de eerste drie vervullen. Dat kan niet gezond zijn.
Er is hier sprake van een paradox, de maagdelijkheidsparadox. Iedereen kent het voorbeeld van de psycholoog die zijn proefpersoon opdracht geeft de komende tien minuten niet aan een groene hond te denken. Wat er dan gebeurt, laat zich raden. Toch prenten we meisjes van vijftien in dat zij maagd moeten blijven tot op de dag van hun bruiloft. Toch drukken we jongens van die leeftijd op het hart dat ze geen seks met een meisje mogen hebben totdat ze met haar zijn getrouwd. Het omgekeerde is echter het geval. Hebben ouders niet door dat ze met hun gedrag alleen een averechts effect bereiken?
Wie ook maar even over de maagdelijkheidparadox nadenkt, realiseert zich onmiddellijk dat we elkaar gewoon op een vreselijke manier voor de gek aan het houden zijn. Met alle gevolgen van dien voor onze kinderen en voor de samenleving. Om de absurditeit van operaties om het maagdenvlies te herstellen en van gepatenteerde maagdelijkheidspillen valt misschien nog te lachen. Maar niet om de psychische problemen die jonge vrouwen en mannen oplopen door de tegenstrijdige boodschappen die zij krijgen uit de cultuur van hun ouders en uit de samenleving waarin zij opgroeien. Waarom wordt er steeds vaker schizofrenie geconstateerd bij Marokkaanse en Turkse jongeren? Met een beroep op ‘de traditie’ (wat dat ook moge zijn) dringen we onze kinderen beslissingen op waarvan we ons niet realiseren welke gevolgen ze voor hen hebben.
Veel meisjes en jongens conformeren zich aan de opdracht om ‘rein’ te blijven tot aan het huwelijk. Niet eens zozeer om het geloof als wel voor hun ouders. Ze willen de goede naam van de familie niet schaden, hun ouders niet kwetsen, en vooral een goede zoon of dochter zijn. Maar ze willen ook meegaan met de trend. En vooral niet achterblijven op relationeel gebied.
Veel ouders denken dat hun kinderen, omdat ze keurig naar school gaan, of omdat ze keurig een hoofddoekje dragen, niet bezig zijn met hun seksualiteit. Maar ze experimenteren wel degelijk. En veel ook. Zoals elke jongere zijn ook zij nieuwsgierig naar seks en hebben daar behoefte aan. Wat ook verontrustend is dat dit altijd buitenshuis moet gebeuren. Het is heel raar om een meisje met hoofddoek te zien vrijen op een achterafbankje op de gang van een bioscoop. Waarschijnlijk kunnen ze nergens anders terecht. Ook zoeken jongeren steeds meer (mede door de invloed van internet) de grenzen op. Uit e-mails naar de redactie van SEN Magazine blijkt dat steeds meer jonge allochtone meiden orale seks de gewoonste zaak van de wereld vinden en dat ze moeilijk nee kunnen zeggen als hun vriendjes aandringen op anale seks. „Daar gaat je maagdenvlies niet van stuk, dus dat mag.â€
Ze doen het omdat ze het zelf willen, zeggen ze. Totdat ze trouwen. Dan komt het geweten om de hoek kijken. Al kunnen ze naar de gynaecoloog om zich half dicht te laten naaien en al kunnen ze – oude truc – een capsule inbrengen die ervoor zorgt dat er tijdens de huwelijksnacht bloed op de lakens komt, psychisch blijft het een enorme last om te weten dat je hebt gesjoemeld, dat je je eigenlijk niet aan je gelofte hebt gehouden. En wat als het ooit uitkomt?
Het taboe op het onderwerp en onwetendheid er omheen zijn de grootste oorzaken van het probleem van de maagdelijkheidsparadox. Alleen het bespreekbaar maken van seksualiteit bij tieners en van de plaats die maagdelijkheid daarin heeft, kan leiden tot andere keuzes. Wanneer een meisje vrijuit met haar ouders kan praten over hoe ze zich voelt, hoe ze over het leven denkt en wat ze met zichzelf wil – dus zonder dat die ervan uitgaan dat haar waarde als mens staat of valt met haar maagdelijkheid – zal ze zich serieus genomen voelen en gewaardeerd om haar andere capaciteiten die ze graag zou willen ontwikkelen.
Voor ouders moet het ook een stuk beter voelen om een kind in huis te hebben dat op een eerlijke manier met zijn problemen bij hen terechtkan, in plaats van dat zij eigenlijk wel weten dat het zich voor hen verstopt. Ouders zouden daarom moeten leren dat de beste bescherming die zij hun kinderen kunnen bieden de bescherming is van acceptatie en van openheid. Pas wanneer hun dochters het gebod tot maagdelijkheid niet meer als een gebod ervaren (veel moslimmeiden mogen niet eens aan seks denken, laat staan er over praten), hoeven zij niet meer elk moment van de dag bezig te zijn met seks. Eenvoudig zal het niet zijn om traditioneel ingestelde ouders daarvan te overtuigen. Het is al een toer om daarover met hen in gesprek te raken, laat staan om hen van mening te doen veranderen en hen te bewegen tot aanpassing van hun gedrag. Angst voor het nieuwe en het vreemde, de behoefte om vast te houden aan een (werkelijk bestaande of geconstrueerde) eigen culturele identiteit – het heeft er allemaal mee te maken.
Gaandeweg hebben ook de vertegenwoordigers van de oudere generaties nieuwe ideeën en confrontaties nodig. Ook zij zijn in staat om in beweging te komen. Was het vroeger ondenkbaar dat een Turks meisje op kamers ging wonen, nu wordt dat steeds meer als normaal gezien. Ouders durven ook meer los te laten als ze worden geïnspireerd door succesverhalen. Wanneer een meisje de gelegenheid krijgt te laten zien dat ze de zelfstandigheid aankan en dat ze daarmee wat bereikt in het leven, zullen haar ouders zich ook niet meer zo snel geroepen voelen om haar snel aan een man te koppelen. Op dezelfde manier zal ook het gearrangeerde huwelijk steeds meer een marginaal verschijnsel worden, of de gewoonte om een partner in Turkije of Marokko te zoeken.
Het stemt hoopvol dat er momenteel bijeenkomsten worden georganiseerd waarbij imams met kracht van argumenten betogen dat het nooit de wil van Allah kan zijn om een meisje tegen haar wil aan een echtgenoot te koppelen, en dat de instemming van beide partners nodig is willen zij voor hun huwelijk Zijn zegen krijgen.
We gunnen het iedereen om goed geïnformeerd en na rustig beraad zijn of haar eigen keuzes te maken, met respect voor de opvattingen en de vrijheden die anderen toekomen. Dat geldt ook als het over seksualiteit gaat. Een jonge vrouw die er bewust voor kiest om als maagd het huwelijk in te gaan, zal een natuurlijke zekerheid uitstralen waar anderen haar slechts om kunnen benijden. Zij zal ook niet snel in de verleiding komen om zich toch aan allerlei halfhartige experimenten te wagen. Maar meisjes die de lichamelijke kuisheid van hogerhand krijgen opgelegd, worden gedwongen tegen de natuur in te gaan.
Hoe tegenstrijdig het ook lijkt, worden zij er juist toe veroordeeld steeds bezig te zijn met hun eigen seksualiteit en met die van anderen. Zo’n preoccupatie kan hun ontwikkeling alleen maar verstoren. De kans dat zo’n gedwongen maagdelijkheidsmissie faalt is groter dan dat zij slaagt. Daarom is het hoog tijd om een einde te maken aan de hypocrisie en om de maagdelijkheidsparadox te doorbreken.
Senay Özdemir is hoofdredacteur van SEN Magazine en bestuurslid van Women on Top.
By TARIQ RAMADAN
New York Times, January 6, 2008
For Muslims the Koran stands as the Text of reference, the source and the essence of the message transmitted to humanity by the creator. It is the last of a lengthy series of revelations addressed to humans down through history. It is the Word of God — but it is not God. The Koran makes known, reveals and guides: it is a light that responds to the quest for meaning. The Koran is remembrance of all previous messages, those of Noah and Abraham, of Moses and Jesus. Like them, it reminds and instructs our consciousness: life has meaning, facts are signs.
It is the Book of all Muslims the world over. But paradoxically, it is not the first book someone seeking to know Islam should read. (A life of the Prophet or any book presenting Islam would be a better introduction.) For it is both extremely simple and deeply complex. The nature of the spiritual, human, historical and social teachings to be drawn from it can be understood at different levels. The Text is one, but its readings are multiple.
For the woman or the man whose heart has made the message of Islam its own, the Koran speaks in a singular way. It is both the Voice and the Path. God speaks to one’s innermost being, to his consciousness, to his heart, and guides him onto the path that leads to knowledge of him, to the meeting with him: “This is the Book, about it there can be no doubt; it is a Path for those who are aware of God.†More than a mere text, it is a traveling companion to be chanted, to be sung or to be heard.
Throughout the Muslim world, in mosques, in homes and in the streets, one can hear magnificent voices reciting the divine Words. Here, there can be no distinction between religious scholars (ulema) and laymen. The Koran speaks to each in his language, accessibly, as if to match his intelligence, his heart, his questions, his joy as well as his pain. This is what the ulema have termed reading or listening as adoration. As Muslims read or hear the Text, they strive to suffuse themselves with the spiritual dimension of its message: beyond time, beyond history and the millions of beings who populate the earth, God is speaking to each of them, calling and reminding each of them, inviting, guiding, counseling and commanding. God responds, to her, to him, to the heart of each: with no intermediary, in the deepest intimacy.
No need for studies and diplomas, for masters and guides. Here, as we take our first steps, God beckons us with the simplicity of his closeness. The Koran belongs to everyone, free of distinction and of hierarchy. God responds to whoever comes to his Word. It is not rare to observe women and men, poor and rich, educated and illiterate, Eastern and Western, falling silent, staring into the distance, lost in thought, stepping back, weeping. The search for meaning has encountered the sacred, God is near: “Indeed, I am close at hand. I answer the call of him who calls me when s/he calls.â€
A dialogue has begun. An intense, permanent, constantly renewed dialogue between a Book that speaks the infinite simplicity of the adoration of the One, and the heart that makes the intense effort necessary to liberate itself, to meet him. At the heart of every heart’s striving lies the Koran. It holds out peace and initiates into liberty.
Indeed, the Koran may be read at several levels, in quite distinct fields. But first, the reader must be aware of how the Text has been constructed. The Koran was revealed in sequences of varying length, sometimes as entire chapters (suras), over a span of 23 years. In its final form, the Text follows neither a chronological nor strictly thematic order. Two things initially strike the reader: the repetition of Prophetic stories, and the formulas and information that refer to specific historical situations that the Koran does not elucidate. Understanding, at this first level, calls for a twofold effort on the part of the reader: though repetition is, in a spiritual sense, a reminder and a revivification, in an intellectual sense it leads us to attempt to reconstruct. The stories of Eve and Adam, or of Moses, are repeated several times over with differing though noncontradictory elements: the task of human intelligence is to recompose the narrative structure, to bring together all the elements, allowing us to grasp the facts.
But we must also take into account the context to which these facts refer: all commentators, without distinction as to school of jurisprudence, agree that certain verses of the revealed Text (in particular, but not only, those that refer to war) speak of specific situations that had arisen at the moment of their revelation. Without taking historical contingency into account, it is impossible to obtain general information on this or that aspect of Islam. In such cases, our intelligence is invited to observe the facts, to study them in reference to a specific environment and to derive principles from them. It is a demanding task, which requires study, specialization and extreme caution. Or to put it differently, extreme intellectual modesty.
The second level is no less demanding. The Koranic text is, first and foremost, the promulgation of a message whose content has, above all, a moral dimension. On each page we behold the ethics, the underpinnings, the values and the hierarchy of Islam taking shape. In this light, a linear reading is likely to disorient the reader and to give rise to incoherence, even contradiction. It is appropriate, in our efforts to determine the moral message of Islam, to approach the Text from another angle. While the stories of the Prophets are drawn from repeated narrations, the study of ethical categories requires us, first, to approach the message in the broadest sense, then to derive the principles and values that make up the moral order. The methods to be applied at this second level are exactly the opposite of the first, but they complete it, making it possible for religious scholars to advance from the narration of a prophetic story to the codification of its spiritual and ethical teaching.
But there remains a third level, which demands full intellectual and spiritual immersion in the Text, and in the revealed message. Here, the task is to derive the Islamic prescriptions that govern matters of faith, of religious practice and of its fundamental precepts. In a broader sense, the task is to determine the laws and rules that will make it possible for all Muslims to have a frame of reference for the obligations, the prohibitions, the essential and secondary matters of religious practice, as well as those of the social sphere. A simple reading of the Koran does not suffice: not only is the study of Koranic science a necessity, but knowledge of segments of the prophetic tradition is essential. One cannot, on a simple reading of the Koran, learn how to pray. We must turn to authenticated prophetic tradition to determine the rules and the body movements of prayer.
As we can see, this third level requires singular knowledge and competence that can only be acquired by extensive, exhaustive study of the texts, their surrounding environment and, of course, intimate acquaintance with the classic and secular tradition of the Islamic sciences. It is not merely dangerous but fundamentally erroneous to generalize about what Muslims must and must not do based on a simple reading of the Koran. Some Muslims, taking a literalist or dogmatic approach, have become enmeshed in utterly false and unacceptable interpretations of the Koranic verses, which they possess neither the means, nor on occasion the intelligence, to place in the perspective of the overarching message. Some orientalists, sociologists and non-Muslim commentators follow their example by extracting from the Koran certain passages, which they then proceed to analyze in total disregard for the methodological tools employed by the ulema.
Above and beyond these distinct levels of reading, we must take into account the different interpretations put forward by the great Islamic classical tradition. It goes without saying that all Muslims consider the Koran to be the final divine revelation. But going back to the direct experience of the Companions of the Prophet, it has always been clear that the interpretation of its verses is plural in nature, and that there has always existed an accepted diversity of readings among Muslims.
Some have falsely claimed that because Muslims believe the Koran to be the word of God, interpretation and reform are impossible. This belief is then cited as the reason why a historical and critical approach cannot be applied to the revealed Text. The development of the sciences of the Koran — the methodological tools fashioned and wielded by the ulema and the history of Koranic commentary — prove such a conclusion baseless. Since the beginning, the three levels outlined above have led to a cautious approach to the texts, one that obligates whoever takes up the task to be in harmony with his era and to renew his comprehension. Dogmatic and often mummified, hidebound readings clearly reflect not upon the Author of the Text, but upon the intelligence and psychology of the person reading it. Just as we can read the work of a human author, from Marx to Keynes, in closed-minded and rigid fashion, we can approach divine revelation in a similar manner. Instead, we should be at once critical, open-minded and incisive. The history of Islamic civilization offers us ample proof of this.
When dealing with the Koran, it is neither appropriate nor helpful to draw lines of demarcation between approaches of the heart and of the mind. All the masters of Koranic studies without exception have emphasized the importance of the spiritual dimension as a necessary adjunct to the intellectual investigation of the meaning of the Koran. The heart possesses its own intelligence: “Have they not hearts with which to understand,†the Koran calls out to us, as if to point out that the light of intellect alone is not enough. The Muslim tradition, from the legal specialists to the Sufi mystics, has continuously oscillated between these two poles: the intelligence of the heart sheds the light by which the intelligence of the mind observes, perceives and derives meaning. As sacred word, the Text contains much that is apparent; it also contains the secrets and silences that nearness to the divine reveals to the humble, pious, contemplative intelligence. Reason opens the Book and reads it — but it does so in the company of the heart, of spirituality.
For the Muslim’s heart and conscience, the Koran is the mirror of the universe. What the first Western translators, influenced by the biblical vocabulary, rendered as “verse†means, literally, “sign†in Arabic. The revealed Book, the written Text, is made up of signs, in the same way that the universe, in the image of a text spread out before our eyes, abounds with these very signs. When the intelligence of the heart — and not analytical intelligence alone — reads the Koran and the world, the two speak to one another, echo one another; each one speaks of the other and of the Unique One. The signs remind us of meaning: of birth, of life, of feeling, of thought, of death.
But the echo is deeper still, and summons human intelligence to understand revelation, creation and their harmony. Just as the universe possesses its fundamental laws and its finely regulated order — which humans, wherever they may be, must respect when acting upon their environment — the Koran lays down laws, a moral code and a body of practice that Muslims must respect, whatever their era and their environment. These are the invariables of the universe, and of the Koran. Religious scholars use the term qat’i (“definitive,†“not subject to interpretationâ€) when they refer to the Koranic verses (or to the authenticated Prophetic tradition, ahadith) whose formulation is clear and explicit and offers no latitude for figurative interpretation. In like manner, creation itself rests upon universal laws that we cannot ignore. The consciousness of the believer likens the five pillars of Islam to the laws of gravitation: they constitute an earthly reality beyond space and time.
As the universe is in constant motion, rich in an infinite diversity of species, beings, civilizations, cultures and societies, so too is the Koran. In the latitude of interpretation offered by the majority of its verses, by the generality of the principles and actions that it promulgates with regard to social affairs, by the silences that run through it, the Koran allows human intelligence to grasp the evolution of history, the multiplicity of languages and cultures, and thus to insinuate itself into the windings of time and the landscapes of space.
Between the universe and the Koran, between these two realities, between these two texts, human intelligence must learn to distinguish fundamental and universal laws from circumstantial and historical models. This intelligence must display humility in the presence of the order, beauty and harmony of creation and of revelation. At the same time it must responsibly and creatively manage its own accomplishments or interpretations, which are sources of extraordinary success, but also of injustice, war and disorder. Between Text and context, the intelligence of the heart and that of the analytical faculty lay down norms, recognize an ethical structure, produce knowledge, nourish consciousness, and develop enterprise and creativity in all spheres of human activity.
Far from being a prison, or a constraint, revelation is an invitation to mankind to reconcile itself with its deepest essence, and to find there both the recognition of its limitations and the extraordinary potential of its intelligence and its imagination. To submit ourselves to the order of the Just One and of his eternity is to understand that we are free and fully authorized to reform the injustices that lie at the heart of the order or disorder of all that is temporally human.
The Koran is a book for both heart and mind. In nearness to it, a woman or a man who possesses a spark of faith knows the path to follow, knows her or his own inadequacies. No sheik is needed, no wise man, no confidant. Ultimately, the heart knows. This was what the Prophet answered when he was asked about moral feelings. In the light of the Book, he said, “Inquire of your heart.†And should our intelligence stray into the complexities of the different levels of reading, from applied ethics to the rules of practice, we must never forget to clothe ourselves in the intellectual modesty that alone can reveal the secrets of the Text. For “it is not the eyes that are blind, but the hearts within the breasts.†Such a heart, humble and alert, is the faithful friend of the Koran.
Tariq Ramadan is a professor of Islamic studies at Oxford and at Erasmus University in the Netherlands.
Thu Dec 20, 2007, Reuters
Reporting by Krittivas Mukherjee, editing by Tim Pearce
NEW DELHI (Reuters) – An exiled Bangladeshi Muslim woman writer whose presence in India sparked riots said on Thursday that New Delhi was forcing her to live under virtual house arrest, and appealed for more freedom.
Award-winning writer Taslima Nasreen, who criticizes the use of religion as an oppressive force, has lived in the east India city of Kolkata since 2003.
She was rushed from her home and moved from city to city last month when radical Islamist protests against her led to riots, and the army had to be called in.
Nasreen fled Bangladesh for the first time in 1994 when a court there said she had "deliberately and maliciously" hurt Muslims’ religious feelings with her Bengali-language novel "Lajja", or "Shame", about riots between Muslims and Hindus.
Several of her books have been banned in India and Bangladesh. The European Parliament awarded her the Sakharov Prize for freedom of thought in 1994.
Nasreen now lives in a secret security facility in New Delhi, which she has equated with "solitary confinement."
Her fate has become a hot political issue for New Delhi as the Hindu nationalist opposition has accused the government of pandering to Muslim minorities by trying to get her out of the country.
"I don’t think that in the name of security I should be put in solitary confinement," Nasreen told the New Delhi Television news channel. "I asked them how long I have to remain in house arrest, they said they don’t know."
The government has refused to comment on Nasreen’s claims.
New Delhi has said it will continue to host and protect the writer, but indicated she would have to avoid political activities and actions that might hurt India’s relations with its friendly neighbors.
Some radical Muslims hate her for saying Islam and other religions oppress women, and Indian clerics issued a "death warrant" against her in August.
Nasreen said she wanted to return to a "normal life" in Kolkata, but the communist government there is seen as reluctant to anger militant Muslims.
"I haven’t done anything wrong. I wrote for human rights, women’s rights and secular humanism and I am not a criminal," she said. "Why should I be punished in this way, why shouldn’t I be able to meet my friends and relatives?"
The author’s visa is due to expire in February and New Delhi will have to decide whether to extend it.
Jongerenimam prediker van nieuwe generatie
Door Joris Polman, Spits, 30 oktober 2007
AMSTERDAM Hij preekt tegen schooluitval, tegen radicalisering en voor tolerantie tegen geloofsafvalligen. En hij doet dat in het Nederlands. Yasin Elforkani is als ‘jongerenimam’ voor verschillende moskeeën in Amsterdam actief. Met zijn 25 jaar is hij zelf nog jong en feitelijk prediker van een nieuwe generatie. Hij is niet bang een blad voor de mond te nemen in heikele kwesties als de radicale islam of de relschoppers in Slotervaart. Tegelijkertijd ziet hij dat steeds meer jonge moslims tegen de stroom in succesvol hun opleidingen afronden en zich verdienstelijk maken voor de Nederlandse samenleving. Elforkani: "Er zijn nog te veel misverstanden rond de islam."
Elforkani ziet een belangrijke rol weggelegd voor de moskeeën en imams in Nederland om radicalisering onder islamitische jongeren tijdig de kop in te drukken. "Het lijkt mij een goed idee als jonge imams in Nederland de handen ineenslaan om jongeren te begeleiden in hun geloof. In Amsterdam gebeurt dat al. Jonge imams, zoals ikzelf, gaan met jongeren in discussie. We geven lezingen en we preken in het Nederlands. Dat laatste is belangrijk, omdat de tweede en derde generatie migranten lang niet altijd meer de Arabische taal beheerst."
Elforkani predikt ook in andere steden dan Amsterdam. "Ik krijg ontzettend veel aanvragen. Ik kan dat niet allemaal alleen verhapstukken, want ik heb ook nog een baan bij de gemeente Amsterdam. Daarom zou ik graag een team van jongerenimams oprichten. Om jongeren te helpen bij het zoeken van de ware islam. Dat is een liberale islam, een tolerante islam. Een islam die prima samengaat met het Nederlanderschap. Een islam die je niet belemmert om jezelf op een volwaardige wijze te ontplooien in deze samenleving."
Dit team van imams zou volgens Elforkani in allerlei steden regelmatig lezingen en diensten moeten houden. "Maar ik kan me ook voorstellen dat zo’n team als een interventieteam wordt ingezet, mochten zich in bepaalde steden problemen voordoen." Elforkani is in weerwil van de scheiding van kerk en staat wel van mening dat de Nederlandse overheid daar een steentje aan bij moet dragen. "Ja, om zo’n team alleen op te richten is een hele klus. We zullen faciliteiten nodig hebben. En die scheiding van kerk en staat? Ach, de Nederlandse regering wilde toch ook investeren in een Nederlandse imamopleiding?"
Elforkani moest de afgelopen weken regelmatig opdraven om aan de media uitleg te geven over de problemen in Slotervaart. De wijk is in de greep van relletjes door twee steekpartijen met dodelijke afloop, nu al weer enkele weken geleden. Elforkani maakt zich tegelijkertijd zorgen om de toenemende polarisatie in de samenleving. "Kijk, iemand als Geert Wilders heeft natuurlijk het recht om te zeggen wat hij wil. We hebben hier vrijheid van meningsuiting. Maar hij wil niet met moslims in debat. Op deze wijze geef je mensen ook niet de kans om nader tot elkaar te komen."
Haci Karacaer, oud-directeur Milli Görüs en lid PvdA
Wat Ehsan Jami en Wilders ook beweren, de islam laat iemand vrij gelovig te zijn of niet.
In de discussie over geloofsafval is de afgelopen weken een beeld van de islam geschetst alsof ’de islam’ verbiedt dat iemand van zijn geloof afstapt. Dat geldt niet voor mijn islam, in elk geval. Geloof is boven alles een persoonlijke keuze.
De islam kent geen centraal leergezag zoals de rk kerk. De sjiieten hebben enige houvast aan hun ayatollahs (die niet onfeilbaar zijn), de soennieten aan hun hun moefti’s, die er in soorten en maten zijn, van extreem conservatief tot bijzonder liberaal, en de al Azhar Universiteit in Cairo. Ook geen bolwerk van eenduidigheid. De alevieten zijn helemaal aan zichzelf overgelaten: zij moeten als geen ander in het reine komen met zichzelf. Want daar ligt de kern van het geworstel voor alle moslims: elke gelovige bepaalt zelf zijn relatie tot zijn Schepper. Soerat Al Bakara (2.256): In de godsdienst is geen dwang. Redelijk inzicht is duidelijk onderscheiden van verdorvenheid.
Noch bij het aannemen van het geloof, noch bij het praktiseren ervan, noch bij het verlaten van de islam mag er sprake zijn van dwang .
De islamitische verhaalcultuur vloeit over van getuigenissen daarvan. Kalief Omar zag een hoogbejaarde vrouw op straat in Mekka. ’Ik nodig je uit om moslim te worden’ zegt hij haar. ’Ik ga niet in mijn nadagen van geloof veranderen’ antwoordt de oude dame. ’O mijn God, wees getuige van mijn uitnodiging. Ik heb haar netjes geadviseerd, maar zij wil niet’, zegt de kalief zich richtend tot zijn Schepper. Vervolgens zegt hij vers 2/256 op.
Zoals alle verzen van de Koran is ook dit vers aan interpretatie onderhevig. Geldt het voor iedereen of voor speciale groepen? Ik laat dat graag aan historici, taalkundigen, filosofen en vooral theologen over.
Voor een gelovige gelden drie stadia met betrekking tot ’gelovig’ zijn. Gelovig worden, gelovig blijven en niet willen geloven. Ik ben van mening dat je uitsluitend met je hart en geweten kunt kiezen voor de islam. Immers, islam betekent: liefdevolle overgave en geen onderwerping. Het verschil tussen de begrippen overgave en onderwerping is misschien voor sommige politici te subtiel. Toch is het essentieel. Zoals de liberale historicus van de islam Mohammed Arkoun in zijn altijd nog lezenswaardige ’Islam in Discussie’ stelt, betekent islam niets meer of minder dan het verbond dat je uit vrije wil met je Schepper aangaat uit dank voor de zingeving aan je bestaan. Ik was de eerste die Nederland een islamitisch land noemde (Wilders was toen niet zo wild, anders had hij hierover zeker kamervragen gesteld). Waarom ik Nederland één van de meest islamitische landen ter wereld heb genoemd is het volgende: de vrije toegang tot onderwijs, tot de gezondheidszorg, de ouderenzorg, de sociale voorzieningen, het verbod op discriminatie en de vrijheid van meningsuiting en godsdienst. Je bent dus ook vrij in het praktiseren van je geloof. Ook ben je vrij als moslim om ermee op te houden.
We zijn het eens dat het iedereen vrij staat om moslim te worden. Daarom zal ik het daar niet meer over hebben. Vrij zijn in het praktiseren van je geloof is complexer. Daar zien we weer die overijverige advocaten. Van de duivel of van hun zelfgekozen god of van zichzelf. De een wil de hoofddoek, ja zelfs de Koran verbieden. De ander vindt dat je als vrouw niet deugt als je geen hoofddoek draagt. De Koran noch de profeet heeft iemand gedwongen om vijf keer per dag te bidden of te vasten.
Wel heeft hij steeds geadviseerd om het goede te doen en het kwade te laten. Ook heeft hij verteld wat de consequenties zijn als je de geboden en verboden niet of wel nakomt. Hij kon ook niet anders hebben gedaan. Immers: ’vermaan hen, want jij bent slechts een vermaner. Jij bent geen waker over hen’ luiden de verzen 21 en 22 van soerat 88. De Nederlandse vertaling van vers 22 is erg soft. De Arabische woordkeuze is veel krachtiger. De theoloog Recep Ihsan Eliacik vertaalt het als ’je bent geen Zwaard van Damocles boven hun hoofd’.
De Koran is redelijk duidelijk over de mensenrechten. Onder andere over stelen, liegen, moord, dwang, laster, et cetera. Eigenlijk alle zaken waar onze moderne rechtstaat ons bescherming in biedt. Ook een islamitische staat kan moslims niet dwingen om te bidden of om te vasten. Rechten (plichten) jegens God (Hukukullah) en rechten (plichten) jegens de medemens (hukuku’l-ibad) worden anders behandeld. Schending van rechten van je medemens worden dan ook tijdens je leven afgehandeld. Je moet met je medemens tot een vergelijk komen. Anders heb je een probleem in het hiernamaals. Maar de meer triviale vragen of een moslimvrouw een hoofddoek moet dragen is niet zaak van de andere moslims of de staat. Dit geldt natuurlijk ook in omgekeerde richting. Niemand mag een moslima dwingen haar hoofddoek af te doen.
In de islam zijn drie categorieën mensen gevrijwaard van religieuze verplichtingen. Dat zijn kinderen, slaven en verstandelijk gehandicapten. Hieruit blijkt ook dat je uit volkomen vrije wil en met je volle verstand moet kunnen kiezen.
Je kunt nooit tegen je wil gevangen worden genomen in een religie. Een moslim die heeft besloten om niet meer moslim te zijn, kan je alleen betreuren. Je kunt hem of haar nog eens liefdevol herinneren aan de consequenties na de dood. Maar je kunt geen geweld gebruiken tegen de ex-gelovige. De Koran heeft het niet over de doodstraf maar over de consequenties na de dood. Wie meer wil weten kan bijvoorbeeld de verzen 2/217, 5/54 raadplegen. De Hadiths die door sommige moslims als argument worden aangedragen, worden door grote theologen als Hayrettin Karaman en Hayri Kirbasoglu verworpen. Kirbasoglu heeft in een artikel in 2002 in het blad Islamiyat zowel het stenigen als doodstraf voor geloofsuittreding bestempeld als ’fictie’ en misinterpretatie van een aantal feiten uit het verleden.
Religie is niet een kwestie van geweten maar een kwestie die begint met geweten. Zij vestigt zich in het hart. Liefde en barmhartigheid zijn de wortels, reden en geweten de stam, vrede en rechtvaardigheid de takken en levensgeluk zowel hier en nu als na de dood, zijn de vruchten van religie. Dwang kan nooit doordringen tot het geweten en het hart van de gelovige. Het is een zinloze onderneming. Het is een ontoelaatbare vorm van schending van de absolute soevereiniteit die ieder mens bij zijn geboorte meekrijgt.
(Eerder verschenen in Trouw, 29 september 2007)
Overr slaan en de Koran
Anja Meulenbelt, 16 september 2007
Wie dit weblog langer volgt weet dat ik me al een paar jaar met grote belangstelling verdiep in het emancipatieproces van moslimvrouwen, en speciaal in de stroming die aan het werk is om de patriarchale interpretatie van de koran er af te tillen en daaronder de islam te ontdekken die een bondgenoot is van vrouwen in de strijd voor meer gelijkheid.
Zie bijvoorbeeld mijn bijdragen over Aziza al-Hibri, medestander Abdulwahid van Bommel, Amina Wadud en andere feministische moslima’s, en Tariq Ramadan en Nasr Abu Zayd, ook medestanders van vrouwenemancipatie binnen de islam.
Wat de bovenstaande denkers met elkaar gemeenschappelijk hebben is dat ze de koran interpreteren vanuit het geheel. Een geheel dat uiting geeft aan een opmerkelijk egalitair mensbeeld. Er is geen hierarchie tussen de mensen, alleen de relatie tot God telt. Nergens in de koran staat bijvoorbeeld dat mannen beter zijn dan vrouwen, of dat vrouwen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan hun mannen: vaders, echtgenoten of broers. (Wat zeker niet betekent dat er in de werkelijkheid geen sprake is van patriarchale overheersing, soms met een mannelijke interpretatie van de koran in de hand). Vanuit dat beeld van fundamentele gelijkheid wordt vervolgens gekeken naar de passages die wel een verschil lijken aan te duiden.
Een beruchte passage daarbij is het koranvers dat mannen toestemming lijkt te geven om hun vrouw te slaan als ze ‘ongehoorzaam’ is, het vers 34 uit hoofdstuk 4. Wadud, en anderen, intepreteren die passage juist als een aanmaning aan mannen om zich in te houden, en eerst alles te proberen om tot overeenstemming te komen, nog afgezien van het feit dat er nergens staat dat die ‘gehoorzaamheid’ verschuldigt zou zijn aan de man. Eerst wijst hij haar terecht. Als dat niet helpt laat hij haar alleen in bed. En pas dan zou hij haar mogen ‘kastijden’. Dat is, gezien de tijd waarin de koran is geopenbaard, al een verstrekkende verbetering, want vrouwen werden toen nog gezien als lijfeigenen waar een man over mocht beschikken, ze kon buitgemaakt worden in oorlogen, ze kon vererfd worden, meisjesbabies werden soms gedood.
Laleh Bakhtiar, Amerikaanse met een Iraanse achtergrond was ook met die interpretatie niet tevreden. Het klopte niet met de strekking van de koran, dacht ze. ‘Ik kon niet met die uitleg leven. De god waar ik van houd, zou nooit geweld tegen vrouwen toestaan. De profeet Mohammed sloeg zijn vrouwen nooit als hij problemen met ze had. Als hij er voor koos dat niet te doen, zouden zij die zijn soennah (het voorbeeld van zijn levensloop) volgen er ook voor moeten kiezen het niet te doen’.
Het probleem, vond ze, lag hem in de vertaling van het Arabisch van zoveel eeuwen terug. Het woord ‘daraba’ kan uitgelegd worden als ’slaan’ of ‘kastijden’. Maar het blijkt nog een andere betekenis te kunnen hebben: ‘weggaan van’. En dat klopt veel beter met de strekking van de koran, waarin scheiding is toegestaan. Zo geinterpreteerd kan een man die het oneens is met zijn vrouw en het niet meer goed krijgt, ook niet na overreding of een afkoelingsperiode beter van haar weggaan.
In de koran wordt trouwen aangemoedigd. Scheiden wordt betreurd maar is wel mogelijk. De koran stelt bijvoorbeeld in vers 231, hoofstuk 2, dat de man zijn vrouw niet mag ‘hinderen’ als ze wil scheiden. En als hij degene is die wil scheiden, dan moet hij haar op een betamelijke, een fatsoenlijke manier wegzenden. ‘Behoud haar niet tot haar nadeel, waardoor je de perken te buiten gaat’. Bakhtiar vertaalt dat als ‘kwets haar niet, zodat je geen agressie pleegt’.
Dit bedacht Bakhtiar: ‘Hoe kan het, schoot mij plotseling te binnen, dat de man een vrouw die wil scheiden niet mag hinderen of kwetsen, maar dat hij een vrouw die getrouwd wil blijven wel zou mogen slaan? Welke vrouw zou dan niet scheiden als ze zo misbruik kan voorkomen? Dat is in tegenspraak met de bedoeling van de koran , die het huwelijk juist aanmoedigt en echtscheidingen betreurt. ‘Daraba’ moest dus weer de betekenis krijgen die de profeet bedoelt’.
Laleh Bakhtiar is de eerste vrouw die de koran in het Engels vertaalde, ‘The sublime Quran’. Natuurlijk krijgt ze ook kritiek, dat ze een feministe is die de verzen vertaalt zoals het haar goed uitkomt. Maar ze heeft haar huiswerk goed gedaan, en meer materiaal gevonden dat haar visie ondersteunt, onder andere een Arabisch-Engels woordenboek uit de negentiende eeuw, waar het woord ‘daraba’ ook wordt vertaald als ‘weggaan van’. Maar ze heeft ook al dankbaarheid geoogst, niet alleen bij moslimvrouwen, maar ook bij Amerikaanse bekeerlingen die haar vertaling beter begrijpen dan de oude, archaische vertalingen.
Zie "The Sublime Quran"
Wil jij weten hoe je je kunt inzetten voor de Palestijnse boeren? Kom dan naar onze vrijwilligersdag. Met presentaties, informatie, muziek, lekkere hapjes en drankjes.
Houd voor het programma onze website in de gaten!
www.planteenolijfboom.nl
Datum: zaterdag 8 september
Aanvang: 14.00 uur
Locatie: FC Dondersstraat 23 in Utrecht
Graag aanmelden via 06-45523886 of info@plant-een-olijfboom.nl
Achtergrondinformatie
Olijfbomencampagne ‘Houd Hoop Levend’
De YMCA Oost-Jeruzalem en de YWCA Palestina zijn in 2002 de actie "Houd Hoop Levend" gestart. Zij bieden gedupeerde Palestijnse boeren olijfbomen aan, die wereldwijd zijn gesponsord door mensen die zich zorgen maken over de situatie in Palestina. De aanplant van deze olijfbomen geeft de Palestijnen, levend in armoede en onder bezetting, moed om in een vreedzame oplossing van het conflict te blijven geloven.
Doel van de actie is het herplanten van 50.000 olijfbomen in de Palestijnse gebieden, als een krachtig signaal van gerechtigheid en vrede.
In Nederland ondersteunen Cordaid, ICCO, IKV Pax Christi en de Nederlandse YMCA en YWCA de actie sinds 2004.
Onze doelen zijn: